Bron: Derra de Moroda Dance Archives
.

| Achternaam | Struller |
| Voornaam | Otto Richard |
| Roepnaam | Otto |
| Rang | Gefreiter |
| Alias rang / naam . |
Capt. Ceciel Dryer / Pvt. Richard Baumgardner AGO en Amerikaanse legitimatiekaart op verschillende namen uitgegeven |
| Geboren | 06.10.1912 Altdorf b. Nürnberg (Beieren) |
| Gestorven / Terechtgesteld | 13.01.1945 in Huy (België) |
| Grafligging . |
Eerste begraving in Henri-Chapelle (België). Op 18.01.1947 herbegraven op de Duitse Oorlogsbegraafplaats Lommel (België), Blok 18/Graf 506 |
| Herkenningsteken | -92- 2./ I E. Btl. 457 [16], later -2765- Stkp. Pz. Gren. Ers. Btl. 50 [17] |
| Teamgenoten | Teamindeling onbekend |
| Datum & plaats gevangenneming | 21.12.1944 |
| Onderscheidingen | K.A. |
| Laatste eenheid | Commandocompagnie Pantserbrigade 150 |
| Vader | Karl Ludwig Struller, geb. in Weissenburg (Beieren) |
| Voornaam vader | Karl |
| Beroep vader | Leraar, studieprofessor aan de Deutsche Aufbauschule Schwabach |
| Moeder . |
Louise Walburga Margareta Maria Struller geb. Tauber, geb. in Thalmässing, Roth (Beieren) |
| Beroep moeder | Huisvrouw |
| Echtgenote | Emma Schnaus geb. in Nürnberg (Beieren) |
| Huwelijksdatum | 14.10.1939 in Rückersdorf (Beieren) |
| Beroep echtgenote | Danseres |
| Kinderen | Ja † |
.
.
NSDAP
In het Bundesarchiv (BArch) in Berlijn, in de documenten van het voormalige Berlin Document Center (BDC), kon het lidmaatschap van Karl Struller, de vader van Otto Struller, bij de NSLB worden vastgesteld. Karl Struller is op 01.05.1933 toegetreden tot de Nationaalsocialistische Lerarenbond. Het lidmaatschapsnummer luidt: 33820.
Karl Struller was leraar aan de Aufbauschule in Schwabach. Van Karl Struller werd in de documenten van de NSDAP nog een vragenlijst van de NS Lerarenbond, district Schwabach gevonden. Hij geeft daarin aan lid te zijn van de NSV, de Nationaalsocialistische Volkszorg. Karl Struller was, volgens zijn opgaven, ook lid van de Rijksluchtbeschermingsbond.
Van Otto Struller werd geen lidmaatschap van de NSDAP of dergelijke vastgesteld.
.

Otto Struller in zijn jonge jaren (Bron: Familiebezit)
.
Brieven van Otto Struller met politieke inhoud
Hoewel Otto Struller politiek niet actief was zijn er enkele aanwijzingen over zijn politieke mening. Uit familiebezit werden bewaarde brieven en documenten van Otto Struller aan het Documentatiecentrum van het Rijkspartijdagterrein in Nürnberg overgedragen. Voor dit onderzoek werd de collectie dankbaar ter beschikking gesteld.
Daarin zijn onder meer brieven opgenomen die Otto Struller aan zijn ouders schreef.
De brieven stammen uit de periode 1933-1938. Gedurende deze periode was Otto Struller lid van de dansgroep van Kurt Jooss.
In een brief die Otto Struller op 12.11.1933 vanuit Essen aan zijn ouders schreef staat:
„Want ik vergis me waarschijnlijk niet in de aanname dat ook de laatste Duitser vandaag met „Ja” stemt. Andernfalls zou hij het recht op bestaan in deze staat verloren kunnen hebben.”
Op 12.11.1933 vonden gelijktijdig de Rijksdagverkiezing en het volksplebisciet over de uittreding van Duitsland uit de Volkenbond plaats. In een verdere brief is meer te vinden over de politieke opvatting van Otto Struller. Vanuit Dartington Hall in Engeland schreef Otto Struller op 18.09.1938 het volgende aan zijn ouders:
„Gevoelens voor Duitsland niet prima! Heb urenlange discussies met Engelsen, maar kan hen meestal overtuigen van onze rechten!”
De brief eindigt met de Hitlergroet.
.

Persoonlijke brieven en ansichtkaarten van Otto Struller. Bron: Stichting Oorlogsslachtoffers.
.
Opleiding en beroepsontwikkeling van een zwart schaap
Vanaf 12.04.1923 stond Otto Struller ingeschreven in Regensburg, Am Ölberg 2. Daar bevindt zich het protestantse internaat met de naam “Protestantisches Alumneum”.
Helaas werden in de oude bestanden, die tegenwoordig worden bewaard door het “Evangelisches Bildungswerk Regensburg e.V.”, geen sporen van Otto Struller gevonden.
Bij het Stadsarchief in Regensburg resteert ons alleen zijn bevolkingskaart als bewijs.
Helaas werd nagelaten nauwkeurig bij te houden wanneer Otto Struller het internaat in Regensburg verliet. Tussen de brieven en documenten van Otto Struller bevindt zich een vertrekgetuigschrift van het Nieuwe Nürnberger Gymnasium. Uit het getuigschrift blijkt dat Otto Struller tijdens zijn verblijf aan de instelling weinig moeite heeft gedaan te voldoen aan de eisen van de school. Het gedrag van Otto Struller werd weliswaar beoordeeld als “in het algemeen rustig”, maar bleef niet zonder berisping. Wegens ongeoorloofd schoolverzuim ontving hij een straf. Ten slotte maakte hij zich schuldig aan een vergrijp dat tot een ernstige bestraffing zou hebben geleid, als Otto Struller niet vóór de definitieve afhandeling van de zaak was vertrokken. De afzonderlijke beoordelingen zijn werkelijk geen schitterende prestatie. Onvoldoende voor Grieks, Duits en Engels. Voor Latijn kreeg Otto Struller een zeer onvoldoende. Godsdienst en geschiedenis werden met lovenswaardig beoordeeld. Het enige vak waarvoor een uitstekend werd gegeven was het turnen. Het getuigschrift werd uitgeschreven op 21.10.1930. Otto Struller bezocht het schooljaar 1930/31 in afdeling B van de 8e klas. Hoe het daarna verder ging kon niet worden gereconstrueerd, omdat verdere documenten niet werden gevonden.
Op 01.05.1933 geeft een bevolkingskaart aan dat Otto Struller van Schwabach naar Essen is verhuisd. Hij woonde aanvankelijk in de Nieberdingstrasse bij een mevrouw Weber, daarna bij kleermakermeester Kneip in de Gildehofstrasse. Otto Struller vertrok in 1934 van de dansafdeling van de Folkwangschule in Essen naar Dartington, Engeland. Otto Struller, de afgestudeerde van de “Jooss–Leeder School of Dance” in Dartington, behoorde daar tot het ballet van Kurt Jooss. De geschiedenis van Kurt Jooss, Sigurd Leeder en het ballet ook maar bij benadering te willen weergeven zou ver buiten het doel van dit onderzoek gaan. Kurt Jooss heeft Duitsland verlaten omdat hij geen afstand wilde doen van de joodse leden van het ballet. Het ballet trad onder meer op in de VS. Er zijn meerdere passagierslijsten waarop de dansgroep van Kurt Jooss te vinden is. Otto Struller heeft zowel vanuit Engeland als van de tournees van de groep veel brieven naar de familie gestuurd. In een brief gedateerd 03.11.1933 schreef Otto Struller zijn ouders dat Sigurd Leeder de grootste verwachtingen in Otto Struller stelde. Deze brief eindigt echter met een enigszins bittere opmerking richting de ouders, ….dat hij nu niet langer het zorgenkindje van de familie was. Daarvoor is in een ongedateerde brief nog een andere passage te vinden. Hij schrijft in een brief die aan het jaar 1935 kan worden toegeschreven het volgende: “Was altijd al onkruid en zwart schaap in één persoon geweest.” Misschien waren de ouders aanvankelijk niet bepaald enthousiast over de beroepskeuze van hun zoon, maar de ouders financierden wel de opleiding. In de brieven die Otto Struller zijn ouders schreef is het thema geld een van de belangrijkste onderwerpen überhaupt.
In de brieven zijn er met betrekking tot zijn sombere toekomst enkele opmerkelijke passages. Begin mei 1934 schrijft Otto Struller vanuit Engeland aan zijn ouders welke positieve invloed de omgeving van Dartington Hall op hem heeft. Hij schrijft: “..bijna zoals in mijn over alles geliefde Duitse vaderland. Want de vaderlandse grond is en blijft toch het mooiste in het leven en ik hoop van ganser harte later mijn beroep in Duitsland te kunnen uitoefenen…..” Tijdens een jubileumoptreden in Engeland trad Otto Struller voor het eerst op met een eigen stuk. Het stuk heet “Flemish Student’s Dance”.
Otto Struller schreef een brief op de programmakaart van de voorstelling van 06.05.1936.
Van de verdere rollen die Otto Struller vertolkte is er één in het licht van zijn einde bijzonder vermeldenswaard. In het antioorlogsstuk “De groene tafel” vertolkte Otto Struller de rol van de oorlogsprofijtemer. (Een oorlogsprofijtemer is iemand die een noodsituatie tijdens een oorlog om economische redenen uitbuit.) In het Duits Dansarchief Keulen zijn enkele rollenportretten van Otto Struller uit de tijd bij Kurt Jooss. De terugkeer naar Duitsland kan voor Otto Struller op het jaar 1939 worden vastgesteld. Vanaf 29.08.1939 stonden Otto Struller en Emma Schnaus, ook zij was een lid van het ballet van Kurt Jooss, ingeschreven in Rückersdorf (Beieren). In november 1939 verhuisde het paar naar Berlijn, naar de Augsburger Str. 24. Binnen Berlijn zijn voor Otto Struller echter nog verdere verhuizingen aangetoond.
.

Programmaboekjes van het Kurt Jooss Ballet uit het jaar 1939.
.

The Green Table (De Groene Tafel) met Otto Struller en Emma Zeltner.
.
Kraft durch Freude
Kort daarna bouwde Friderica Derra de Moroda, zij was danseres, choreografe en danspedagoge, voor de NS-gemeenschap “Kraft durch Freude” (KdF) een ballettensemble op.
.

Van r. naar l.; Otto Struller (assistent), Derra de Moroda, Ernst Abromeit (kapelmeester). Staand Louis Gercke (technisch leider). Bron: Universiteit Salzburg, Afdeling Muziek- en Danswetenschap Derra de Moroda Dance Archives.
.
Bij dit ballet sloot Otto Struller zich aan; hij was er ook werkzaam als artistiek assistent van Derra de Moroda. Helaas ontbreken exacte tijdschema’s omdat van het KdF-ballet veel documenten verloren zijn gegaan. De militaire loopbaan van Otto Struller kan ons daarbij misschien een beetje helpen.
.

Uit het ballet Klassieke Suite
|
Het ballet van de NSG.
|
Bron: Universiteit Salzburg, Afdeling Muziek- en Danswetenschap Derra de Moroda Dance Archives.
(Foto’s: S. Enkelmann)

Otto Struller als Filippo, een gebochelde ambtenaar,
de spion van de dictator
.
| volgens melding van | 10.09.1940 | 1. Compagnie Infanterie-Reservebataljon 457 |
| 25.09.1940 | 2. Compagnie Motorvoertuig-Reserveafdeling 23 | |
| 10.10.1941 | Staf Oorlogseconomische Reserveafdeling 1 | |
| 09.05.1942 | ||
| 08.06.1942 | 2. Compagnie Oorlogseconomische Reserveafdeling 1 | |
| Ontslagen | 08.06.1942 | Onmisbaarheidsverklaring naar Berlijn Charlottenburg |
| Heroproeping | Niet genoteerd | |
| volgens melding | 00.10.1944 | Stamcompagnie Pantsergrenadier-Reservebataljon 50 |
| 23.12.1944 | Pantserbrigade 150 |
.
De Oorlogseconomische Reserveafdeling 1 was volgens het Bundesarchiv gestationeerd in Berlijn.
Uit een brief (Bundesarchiv, BArch R 55/10373) van het Rijksministerie voor Volksverlichting en Propaganda van 12.04.1944 blijkt dat Otto Struller op dat moment bij de Reserve I als inzetbaar voor de oorlog was ingedeeld. Otto Struller zou worden uitgewisseld en van de NSG-Kraft durch Freude naar de actieve militaire dienst overgaan. Een handgeschreven aantekening vermeldt dat hij tot 30.06.1944 werd uitgesteld.
.
Gegevens over ziekenhuisopnames van Otto Struller werden niet gevonden.
.
De familiegeschiedenis
Fritz Struller
Fritz Struller, een broer van Otto Struller, sneuvelde in 1942 in de Oekraïne. Fritz Struller rust op de Oorlogsbegraafplaats in Sebastopol, bij de Onbekenden.
Karl Struller
De wegens oorlogsmisdaden in Landsberg terechtgestelde Karl Struller (1913-1947) is niet verwant aan Otto Struller. Een aanvankelijk veronderstelde verwantschap bleek onjuist.
Het huwelijk met Emma Schnaus
Op 14.10.1939 trouwde Otto Struller met de in 1915 in Nürnberg geboren danseres Emma Schnaus (Rückersdorf 8/1939).
Emma Schnaus was de dochter van Susanne Durst en Johann Bernhard Schnaus. Emma’s vader werd in 1917 dood verklaard, als een van de vele vermisten van de Eerste Wereldoorlog. Emma was toen nog geen 10 jaar oud. In 1924 hertrouwde de moeder met plaatwerker Johann Georg Zeltner, die al in 1931 overleed.
Otto Struller en Emma Schnaus kenden elkaar al enkele jaren. Uit de nalatenschap van Otto Struller stammen enkele liefdesbrieven, ondertekend met “Emma”. De oudste brief werd op 14.02.1933 geschreven. Eerst moest worden aangetoond dat de briefschrijfster identiek is aan de latere echtgenote, de danseres Emma Schnaus. In de bewuste brief, van 14.02.1933, noemt Emma de straat waar zij woont. Het is hetzelfde adres dat later ook op de overlijdensakte van het in 1943 geboren kind wordt vermeld.
De brief van 13.03.1933 is niet alleen een liefdesbrief aan Otto Struller; de brief is ook een klein tijdsdocument. In de brief vertelt Emma dat er in Nürnberg onlusten waren geweest. Er werden huizen e.d. vernield. Er was veel bedrijvigheid in “haar” Bogengasse. Ze schreef dat de mensen de gesloten “Tagespost” wilden zien, maar niet werden toegelaten. In de brief beschrijft Emma Schnaus de gebeurtenissen van 09.03.1933.
Op die avond overvielen SA-eenheden het uitgeverijgebouw van de sociaaldemocratische “Fränkische Tagespost”.
In de brief beklaagt Emma Schnaus zich over het gedrag van de jongens van de SS en SA. Ze is blij dat Otto Struller er niet bij is.
Emma Schnaus is vermoedelijk alleen door haar contact met Otto Struller danseres geworden bij het ensemble van Kurt Jooss. In de al eerder genoemde brief van 14.02.1933 schreef Emma dat ze dagdroomt over innig dansen met haar Otto. De brief ging naar Essen, waar Otto Struller al woonde en aan zijn opleiding tot balletdanser werkte. Otto Struller moet in een brief hebben geschreven dat Emma naar Essen kon komen. Reden daarvoor waren waarschijnlijk enkele klachten over problemen die Emma thuis en op het werk had. Wat voor problemen dat waren schreef Emma niet. In een brief van 13.03.1933 heeft Emma bezwaren tegen een komst naar Essen. In de daaropvolgende brief, van 19.03.1933, verklaarde ze dat ze niet naar Essen kon komen omdat ze zichzelf niet kon onderhouden; het geld ontbreekt. De bezwaren hielden echter niet lang aan. Op 23.05.1933 schreef ze Otto Struller dat ze waarschijnlijk met hem naar Essen zou reizen. Emma Schnaus stond vervolgens van september 1933 tot begin maart 1934 ingeschreven in Essen. Daarna stond ze weer ingeschreven in Nürnberg. Op 23.08.1934 vertrok Emma Schnaus uit Nürnberg richting Engeland.
In verschillende bronnen die verband houden met het ballettensemble van Kurt Jooss vindt men Emma Schnaus zowel onder haar geboortenaam als onder de naam Zeltner.
In het archief van Dartington Hall (online onderzoek) vindt men Emma onder beide namen. In het archief zijn ook foto’s van Emma Zeltner en Otto Struller. Een foto toont Emma Zeltner die in een treincoupe naast Otto Struller zit en typt.
.

Emma Zeltner (Schnaus) met schrijfmachine en Otto Struller
in een trein (ca. 1935). Bron: The Dartington Hall Trust Archive.
(Foto: Fritz Henle Estate)
.
Over de plaats Dartington en de “Dartington Hall School”, een reformpedagogische school bij Totnes in het graafschap Devon, valt online het een en ander te lezen (o.a. bij Wikipedia). In de internetbronnen is het boek te vinden “The Jooss-Leeder School at Dartington Hall”. In een kort citaat staat dat Emma Schnaus de naam van haar moeder heeft aangenomen. Waarom Emma de naam Zeltner gebruikte is niet bekend. De naamswijziging was in ieder geval niet officieel, aangezien in 1934 de verlenging van haar paspoort op de naam “Schnaus” plaatsvond. De bewaarde paspoortkaart bevindt zich tegenwoordig in het Stadsarchief Nürnberg (StadAN C 21/VII Nr. 144).
Op 16.04.1943 werd het huwelijk van Emma en Otto Struller in Berlijn ontbonden. Een pikant detail is dat Emma Struller op 25.05.1943 een zoon kreeg; het kind stierf al op 21.08.1943. Als vader werd Otto Struller geregistreerd. De geboorte van het kind en de kort daarna volgende echtscheiding laten ruimte voor speculaties. Dat Otto Struller de biologische vader van het kind was is meer dan twijfelachtig. Het vermoeden wordt nog versterkt door de omstandigheid dat Emma kort na de echtscheiding weer haar meisjesnaam aannam en op 15.06.1944 opnieuw trouwde. Wat daarna met Emma gebeurde blijft om privacyrechtelijke redenen in het duister. Uit de overlijdensakte van het kind blijkt dat beide ouders ingeschreven stonden in Berlijn-Charlottenburg. Maar alleen van de moeder wordt het exacte adres vermeld. Het is hetzelfde adres dat ook in de historische adresboeken van Berlijn wordt vermeld. In de adresboeken (1942 en 1943) zijn vermeldingen te vinden voor Emma “Strulla” in plaats van “Struller”. Maar beroep en adres kloppen wel: Berlijn Charlottenburg, Kantstrasse 156. Otto Struller zoekt men tevergeefs in de historische adresboeken van Berlijn. Alleen het bewaarde deel van de Berlijnse bevolkingskaartindex levert het bewijs dat balletmeester Otto Struller ingeschreven stond in Berlijn Charlottenburg, Kantstrasse 156. Vanaf 02.03.1944 dan in Berlijn Grunewald in de Schleinitzstrasse 7. Daarbij moet worden opgemerkt dat Emma Schnaus (artiestennaam Monika Zeltner) op 14.03.1944 op een personeelsvragenformulier van de Rijkstheaterraad eveneens de Schleinitzstrasse nr. 7 als woonplaats opgeeft. In een brief van het Rijksministerie voor Volksverlichting en Propaganda, van 12.04.1944 wordt als Berlijnse adres van Otto Struller de Coubierestrasse 7 in Berlijn W. opgegeven. In 1949 werd Otto Struller in Berlijn officieel uitgeschreven.
Otto Struller en de stripteasedanseres
In het boek “Goddess of Love Incarnate: The Life of Stripteuse Lili St. Cyr”, geschreven door Leslie Zemeckis, is een interessante onthulling te vinden. Uit een brief die de danseres schreef blijkt dat zij tijdens een reis naar de VS een korte affaire had met Otto Struller. Lili St. Cyr, die met burgerlijke naam Willis Marie Van Schaak heette, reisde in september 1936 op het schip “Ile De France” naar de VS. Ook het ballet van Kurt Jooss bevond zich op dat moment aan boord van de “Ile De France”, onderweg naar de VS. De betreffende passagierslijst bevestigt dat beiden aan boord waren. Otto Struller moet de danseres hebben indruk gemaakt. De brief in handen te krijgen is tot nu toe niet gelukt. Hoe op dat moment de verhouding met Emma Schnaus was is onbekend. In geen van de brieven die Otto Struller schreef tijdens zijn verblijf bij de groep van Kurt Jooss werd Emma Schnaus vermeld.
Het Terugkeerbureau
In het Bundesarchiv in Berlijn (BArch) in de bestanden van het voormalige Berlin Document Center (BDC) bevinden zich, zoals we al weten, ook de dossiers van het Terugkeerbureau van de Buitenlandse Organisatie van de NSDAP. Hier werden documenten over Otto Struller gevonden.
Het eerste document is een brief van de Buitenlandse Organisatie van de NSDAP, gedateerd 19.01.1940. In de brief wordt, door de leiding van de Buitenlandse Organisatie bij de Gaupartijleiding Franken, om een politieke beoordeling van volksgenoot Otto Struller verzocht.
Interessant is daarbij dat als adres van Otto Struller de Coubierestrasse in Berlijn wordt opgegeven. Deze straat ontbreekt bij de inschrijvingsgegevens van het Landesarchiv Berlijn. 4 jaar later wordt het adres dan nogmaals in een officiële bron vermeld.
Door het Gaupersonalambt Franken werd op 02.02.1940 een vragenlijst over Otto Struller ingevuld.
De partijgenoten van de NSDAP lijken zich met het onderzoek naar Otto Struller niet veel moeite te hebben getroost.
Als beroep wordt het volgende opgegeven: “Had nog geen vast beroep. Hij wilde technicus worden.” Hierbij zij opgemerkt dat in de brieven van Otto Struller meerdere malen het onderwerp “motorfiets” ter sprake komt. Zo schreef hij in september 1936 in een brief dat hij in Dartington binnenkort zijn motorrijexamen wilde doen en in de daaropvolgende mei hoopte hij zich spoedig een motorfiets te kunnen kopen. Het kan dus zijn dat hij een passie voor motorfietsen had die tot deze aanname heeft geleid.
De burgerlijke staat wordt opgegeven als “ongehuwd”. Een lidmaatschap van Otto Struller in de NSDAP is bij het Gaupersonalambt in Franken onbekend. Over zijn politiek gedrag voor en na 05.03.1933 (Rijksdagverkiezing voor de achtste Duitse Rijksdag) staat dat hij politiek niet actief was en er niets op aan te merken valt.
Bij punt 16 wordt om een samenvattende politieke beoordeling gevraagd.
Daarin staat onder meer: “…. Naar Engeland is hij destijds geëmigreerd, omdat hij blijkbaar noch voor het leren op school, noch overigens voor een beroep de rechte zin had. Ongetwijfeld was hij in het ouderlijk huis goed opgevoed, zodat hij zich in politiek opzicht niets te verwijten had. Hij zou met een dansgroep Amerika en Europa hebben bereisd, die werd geleid door een jood.” Noch Kurt Jooss noch Sigurd Leeder waren van joodse afkomst.
Brieven van een ooggetuige
In een stapel brieven en documenten die de nicht van Otto Struller aan het Nürnbergse Documentatiecentrum van het Rijkspartijdagterrein heeft overgedragen bevinden zich twee brieven van een Duitse krijgsgevangene die tijdens zijn gevangenschap contact had met Otto Struller. De brief van 05.03.1946 was een korte mededeling van de voormalige vluchteling Fritz Vaupel die enige tijd in Amerikaanse bewaring was.
Vaupel deelde kort mede dat Otto Struller dood was.
Op 08.04.1946 schreef Fritz Vaupel de familie Struller een zeer gedetailleerde brief.
Fritz Vaupel had naar eigen zeggen op verboden wijze de stad Malmedy verlaten en was in Bévercé in de kelder van een boerderij in Amerikaanse bewaring geraakt.
Tijdens een gesprek met een Amerikaanse officier werden drie gevangenen, Duitse soldaten, naar beneden gebracht; één droeg een Amerikaans uniform. De gevangenen namen in een hoek van de kelder plaats. Vaupel werd vanwege zijn enigszins Amerikaans uitziende kleding niet voor een Duitser gehouden en kon het gesprek met de Amerikaanse officier ongehinderd voortzetten. Hij vernam dat de gevangene in Amerikaans uniform als spion werd behandeld. Fritz Vaupel werd de volgende ochtend vrijgelaten; naar zijn zeggen was het 20.12.1944.
Maar het zou niet de laatste ontmoeting met de Duitse spion zijn.
“Begin januari 1945 raakte ik in een soortgelijk verdenking en werd daarom naar de vesting Huy gebracht (ongeveer 30 km achter Luik richting Dinand?) (Dinant). Wij waren in onze ruimte met ongeveer 18 gevangenen. Onder hen was ook de soldaat in het Amerikaanse uniform die ik in Bévercé had gezien. Ik heb aangeknoopt bij de toenmalige ontmoeting en toen vernomen dat de man Otto Struller heette, danser was enz. Struller was ziek, resp. leed aan de gevolgen van een val of instorting, waarbij hij op zijn achterhoofd was geslagen. Hij werd medisch en voedingstechnisch uitstekend verzorgd, bevond zich op de weg van herstel, was, nadat ik er drie dagen was, zover dat hij met losse oefeningen begon en iets later ons een krakowiak voordanste. Hij maakte zich veel zorgen over zijn lot, omdat men hem, omdat hij in Amerikaans uniform was, als spion zou kunnen behandelen. Deze zorgen had hij mij meegedeeld, zoals we überhaupt over heel veel met elkaar hadden gesproken. Ik heb geprobeerd de zorgen te verdrijven door te wijzen op de behandeling die hem ten deel viel.
Hij was zelf ook van mening dat men hem mild zou behandelen, temeer omdat hij een Duits munitiedepot aan de Amerikanen had verraden, waarvan een officier hem achteraf had gezegd dat men het had gevonden”.
Fritz Vaupel is er niet helemaal zeker van, maar dacht dat het 12.01.1945 was geweest toen Otto Struller ’s middags werd meegenomen. Vaupel vermoedde dat Struller voor verhoor of dergelijke werd gebracht. Een gang die daar meerdere malen plaatsvond. Otto Struller keerde echter niet meer terug in de kelder. In de brief staat dan:
“De volgende ochtend kwam de dienstdoende sergeant, met wie Struller zich ook regelmatig had onderhouden, en bracht ons sigaretten. Op mijn vraag daarnaar waar de sigaretten vandaan kwamen antwoordde hij: ‘Die stuurt Struller jullie.’ Op mijn verbaasde vraag hoe Struller zoveel sigaretten kon sturen, werd mij het met uitgesproken spijt gegeven antwoord van de man: hij had er geen meer nodig, omdat hij ’s ochtends vroeg was neergeschoten”….
Enkele regels later gaat Fritz Vaupel in op een gesprek met Otto Struller. Op zijn vraag hoe Otto Struller in het Amerikaanse uniform was terechtgekomen gaf deze het volgende als antwoord: “..Hij heeft mij de zaak zo uitgelegd dat ongeveer 300 man voor aantreden waren opgeroepen. Men had toen een speciale opdracht bevolen; wie zich daarvan wilde onttrekken kon uittreden.”
Fritz Vaupel schreef verder dat iedereen in de kelder de dood van Otto Struller betreurde. “Hij was een goede kameraad en kort beschreven een fijne kerel, aan wie wij allen meer hadden gegund dan dit einde”.
De brief werd door Fritz Vaupel, als kopie, ook aan een juffrouw Soltwedel gestuurd. Dat blijkt uit de aanhef aan het begin van de brief. Else Soltwedel was danseres in het ballet van de KdF-gemeenschap. Waarom de brief ook aan juffrouw Soltwedel werd gestuurd wordt pas in maart 2021 onthuld. Daartoe moesten de personeelskaarten van Otto Struller worden ingezien.
.
De ooggetuige Fritz Vaupel raakte in december 1944 in Bévercé (bij Malmedy) in Amerikaanse bewaring.
Hij bracht een nacht door in de kelder van een boerderij. Later berichtte hij over die nacht als volgt:
“Tijdens een gesprek met een Amerikaanse officier werden drie gevangen genomen Duitse soldaten
naar beneden gebracht. Één van deze soldaten was in Amerikaans uniform gevangen genomen, en
ik vernam dat men hem als spion zou behandelen. Ik werd de volgende ochtend vrijgelaten; dat was op
20 december 1944”. Fritz Vaupel, geboren 1908, stierf in februari 1994.
Bron: Video ©CriticalPast
.
De zaak Otto Struller volgens de Amerikaanse dossiers
“IPW TEAM NO. 46<
HEADQUARTERS 120 INFANTRY REGIMENT
A.P.O. 30 U. S. Army
ACG/as/h
1930 21 December 1944
INTERROGATION REPORT NO. 103
covering the period 2200 20 to 2200 21 December 1944.
Supplement to Interrogation Reports Nos. 101 and 102.
1. Total number of PW processed in period: 6
<(Pws Nos, 3810-3815.)
2. Supplement to information from a PW in Interrogation Report No. 101, para 2: The PW was inducted into the AT Res Bn 50 at KUESTERIN (Nr Berlin) on 10 Oct 44. A few days later he went to TARM (DENMARK) where he received the training with this unit as a mortar-section leader. There the men were asked about knowledge of foreign languages. He reported because he hoped to be sent back to GERMANY for further training. After an examination of his knowledge in English he was sent to an Amy school in ALT-NEUHAUS (OBERRPFALZ) where English conversation was practiced. From there he was sent to attent an English course in Berlin. He returned to ALT NEUHAUS at end of November. There were about 20-30 men who spoke English fluently. They were told that the Russians had issued their men German uniforms at STALINGRAD and that the Americans had worn German uniforms in the first days of the invasion, and that such practice was common in this war. They were issued American uniform parts at different times. They still wore the German uniforms. On the way to the front they were issued officers AGO cards, complete with pictures taken of them in ALT-NEUHAUS, PW claims he was given the dog-tags which were also found on him by a captured American soldier he met on the way to the front. The names on the AGO card and on the tags did not correspond.
PWs unit arrived in LIGNEUVILLE 8098 late afternoon 20 Dec. There he was issued a G.I. (EM’s) blouse and captain’s insignia and cross-rifles which had been taken from a captured QM store. He was ordered to turn in his German uniform and put on the American clothes. He was then sent out with the rcn patrol with the mission to find out if we had strong positions or only delaying forces in this vic. His knowledge of the English language and the American uniform was to help him to identify himself as an American straggler in case of unexpected difficulties, and thus facilitate the success of the patrol.”
Bron: onbekend
.
Periodic CI Report, Hq 30th Inf. Div.
“Captured in the aftermath of the Second Combat Group’s action was Gefreiter Otto Struller, one of the Einheit Stielau of the jeep lead teams. Struller, posing as Capt. Cecil Dryer or Pvt. Richard Baumgardner – – his AGO card had the first name and his “dog tags, ” the other – – was captured by troops of the 30th Infantry Division. He was immediately relinquished to 30th CIC. A former ballet dancer, Struller chose to discuss his successes on the New York stage, but his interrogators were more interested in his failure in the Ardennes. He denied membership in Einheit Stielau or any organized band of English speaking German soldiers, reiterating several times that he did not know with which unit he had served prior to his capture and disclaiming knowledge that there was any organized deception practiced by Germans masquerading as American soldiers with U.S. equipment. He explained that his mission was merely one of reconnaissance, not sabotage or espionage. He said he had heard of Skorzeny’s assassination mission, adding that it was already under way. He was tried, convicted and executed.”
Bron: History of the CIC (John Mendelsohn)
.
.

Otto Struller na zijn gevangenneming. Bron: Internet
.
PWI Report NO.I 24-25 Dec. 44.
.“The mission of ‘Captain’ STRULLER, who had been assigned to a radio team of Einheit STIELAU, was to reconnoiter a bridge near MALMEDY while dressed in US uniforms. With his team sitting in a jeep, he led a convoy.
Directly behind PW came 1st Lt ERNST. 1st Lt SCHMITTHUBER (killed) and Lt SCHMIEDAU (wounded) and 200 man most in American vehicles (or at least vehicles camouflaged as American vehicles). Among these were half-tracks, scout cars, 1 German MK IV tank, and other full-track vehicles. It was the mission of ERNST to take the bridge at MALMEDY and to hold it. To reach the objective, the method previously reported as ‘Durchschleusen’ (camouflaged infiltration) was to be employed. The radio team of Einheit STIELAU was to tell our troops that the unit had just evaded the Germans who were in hot pursuit. There were American speaking Germans in US uniforms on all vehicles and in addition, some other men were wearing at least some article of US clothing. The undertaking was frustrated by our Arty fire. PW claims he then got fed-up and deserted.“
Bron: NARA
.
Het doodsvonnis
Het vonnis in de zaak Struller betreft niet alleen Otto Struller, maar daarin worden ook nog 5 andere soldaten van de Wehrmacht veroordeeld. De Obergefreiter Rolf Jesch, 5e Compagnie 12e Valschermjägerregiment, z.b.V., Pantserbrigade 150. De Onderofficier Heinrich Pipitz, Eenheid Stielau, Staf Solar, Pantserbrigade 150. De Gefreiter Alfred Franz, 5e Compagnie van het 12e Valschermjägerregiment, z.b.V., Eenheid Stielau, Staf Solar, Pantserbrigade 150. De Obergefreiter Antoni J. Morzuck, Eenheid Stielau, Staf Solar, Pantserbrigade 150 en de Gefreiter Karl Müller, Eenheid Ernst, Staf Solar, Pantserbrigade 150. Rolf Jesch en Heinrich Pipitz werden samen met Alfred Franz gevangen genomen, hadden echter geen Amerikaans uniform aan; zij werden na medische behandeling als gewone krijgsgevangenen behandeld, althans dat staat bij John Mendelsohn, in zijn boek History of the CIC. In het PWI Report NO 1 22/23 Dec. 44 leest dat dan toch iets anders. De drie, Jesch, Pipitz (daar Pepetz) en Franz werden in het gebied Heppenbach gevangen genomen. Alle drie waren volgens het rapport lid van de 5e Compagnie van het Valschermregiment z.b.V, Pantserbrigade 150. In het rapport wordt alleen de compagnie vermeld, niet het nummer van het regiment. Alle drie waren zwaar gewond en diep geschokt over hun situatie. De drie spraken wat Engels. Vanwege de situatie van de drie gevangenen is het rapport slechts fragmentarisch.
Een van de drie (de naam wordt niet vermeld) bekent volledig; een van de anderen (ook diens naam wordt niet vermeld) geeft alleen toe dat hij in Grafenwöhr was en slechts een Amerikaanse veldjas in bezit had. De derde sloot zich aan bij de (Duitse) commanderende officier in de Amerikaanse sector en ontkende enige kennis van oorlogsmisdadige activiteiten.
Het bij zich dragen of het dragen van een Amerikaanse veldjas zal bij lange na niet voldoende zijn geweest voor een doodsvonnis. Omdat verdere bijzonderheden in het korte rapport ontbreken is een nauwkeurige inschatting onmogelijk. Morzuck en Müller worden in het PWI Report met geen woord vermeld.
Alfred Franz en Antoni J. Morzuck werden, net als Otto Struller veroordeeld en zouden dus terechtgesteld moeten zijn. Noch bij de Deutsche Dienststelle, noch bij het Rode Kruis in Genève of via de Deutsche Kriegsgräberfürsorge konden hun graven worden gevonden. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat alleen Otto Struller werd terechtgesteld. Het geheel is al enigszins merkwaardig. Een onderzoek naar de achternaam Franz is zeker moeilijk als er geen geboortedatum is. De achternaam Morzuck had echter een resultaat moeten opleveren. Tot nu toe zijn wij in die zaak niet verder gekomen.
Hier willen wij nog opmerken dat in een rapport dat te vinden is in het boek van John Mendelsohn (History of the CIC) nog een andere naam opduikt: Josef Kania.
Nu terug naar Otto Struller. Wie samen met Otto Struller in Bévercé werd gezien kon tot nu toe niet worden vastgesteld. De twee soldaten die samen met Struller en de MP het gebouw hebben verlaten zien er vrij gezond uit. Op grond daarvan vallen Jesch, Pipitz en Franz af. Otto Struller stierf volgens het „Report of Operations” in het Justitiepaleis in Huy. Verdere details zijn niet bekend. In de zaak Struller en de andere soldaten blijven nog vragen open.
.



BayHStA, Dachauer Kriegsverbrecherprozess M1106
.
First United States Army Report of Operations
Pursuant to Military Commission Order No. 1, Headquarters First U. S. Army, dated 11 January 1945, the following named prisoner was executed by musketry at 1030 hours, 13 January 1945, at the Palace du Justice, Huy, Belgium: Gefreiter Otto Strulier, alias Captain Cecil A. Dyer, alias Richard Baumgardner, a member, of Einheit Stielau, Stab Solar, 150th Panzer Brigade, German Army.
Bundesarchiv afdeling PA voorheen Deutsche Dienststelle (WASt)
De Amerikaanse documenten die mij destijds door de Deutsche Dienststelle ter beschikking werden gesteld vermeldden dat Otto Struller op 13.01.1945 om 10.30 uur werd terechtgesteld. Zijn lijk werd overgedragen door R. L. Toombs 1st Lt., CMP Det`t Cmdr aan Neal F. Raker 1st Lt., QMC (0515237), 607th QM GR CO Executive Off. Otto Struller werd volgens het „Report of Burial” op 13.01.1945 om 15.00 uur in Henri-Chapelle begraven. Met het lijk werd zijn herkenningsteken begraven. Op het Amerikaanse overlijdensblad, een kaart met niet alleen relevante informatie over het sterfgeval Struller, staat bijvoorbeeld als doodsoorzaak: „Geweerschotwonden borst (terechtgesteld)“.
Als thuisadres wordt de Augsburger Strasse in Berlijn en de naam van zijn echtgenote Elsa Struller vermeld. Tot nu toe moest worden aangenomen dat het hier om een fout ging. De Deutsche Dienststelle is nu een afdeling van het Bundesarchiv. Na een gesprek met een van de medewerkers werd nogmaals in de documenten gerechercheerd en werden daadwerkelijk nieuwe bevindingen verkregen. Uit de in maart 2021 ingeziene personeelskaarten* blijkt dat Otto Struller en Else Soltwedel verloofd waren. Else Soltwedel wordt op de kaarten als „bruid” vermeld. Op de kaarten wordt een adres van Else Soltwedel in Hildburghausen vermeld. Dit adres heeft echter met het ballet te maken. Het adres duikt op in een schrijven van het KdF-ballet; het schrijven bevindt zich in het bezit van het Derra de Moroda Dance Archive van de Universiteit in Salzburg. Uit documenten van het Bundesarchiv Berlijn blijkt dat Else Soltwedel lid was van het Rijksballet (de NS-gemeenschap Kraft durch Freude). Een onderzoek naar Else Soltwedel is enigszins moeilijk. De documenten van Else Soltwedel vallen momenteel nog onder een beschermingstermijn. Dit maakt het gebruik van de inhoud onmogelijk.
Op de personeelskaarten van Otto Struller vinden we een melding van 27.03.1945. Otto Struller gold sinds 23.12.1944 in het gebied rond Malmedy als vermist. Het al eerder genoemde overlijdensblad wordt vermeld en geciteerd. Verder vinden we op de kaarten een verwijzing naar de herbegraving in Lommel. Opmerkelijk is een aanvraag uit Weissenburg, in het jaar 1974. Het ziet ernaar uit dat Otto Struller in een testament was bedacht. De rechtbank in Weissenburg werd daarop onmiddellijk geïnformeerd. Verdere bruikbare informatie leveren de kaarten niet op.
*Signatuur, zie Bronvermelding.
.

Morning Report Locating Card. Bron: Deutsche Dienststelle
.
Inlichtingen van het Rode Kruis (ICRC) in Genève / Zwitserland
(International Committee of the Red Cross, ICRC)
Het overlijdenscertificaat bij het Rode Kruis in Genève werd geregistreerd onder RAD 95337.
Op het certificaat wordt als begrafenisdatum 15.01.1945 en als begrafenisplaats Henri-Chapelle opgegeven. Volgens het „Report of Burial” (WASt) werd het lijk echter al op 13.01.1945 begraven. Dergelijke afwijkingen in de documenten zijn al aan de orde van de dag.
Vermeldenswaard zijn de plaats en datum van gevangenneming. Otto Struller werd volgens het overlijdenscertificaat op 21.12.1944 in Henri-Chapelle gevangen genomen. Dat staat echter haaks op het PWI Report NO. I 24/25. Dec. 44. Als terechtstellingsplaats wordt Huy, ca. 30 km van Luik vermeld.
De kopie werd gewaarmerkt door handtekening van Fred G. Steiner, Major Infantry, Asst. Provost Marshal, First U.S. Army. Verder worden bij name vermeld Joseph Eiser, Captain MC en R. L. Tombs 1st Lt, CMP, Det. Comdr.
.

Duitse Soldatenbegraafplaats Lommel, België. Foto: © Stichting Oorlogsslachtoffers.